Geschiedenis Kasverwarming

Gepost 6 Sept 2015

Hoe onze huizen te verwarmen is een eeuwenoud probleem. Toch bestaat het beroep van verwarmingsinstallateur nog niet zo lang als aanverwante beroepen zoals loodgieter en smid. De eerste verwarmingssystemen dateren uit ongeveer 1830.

De ontwikkeling van stookplaatsen begon al honderden jaren voor onze jaartelling, in de tijd dat Midden- en Noord-Europa nog met sneeuw en ijs bedekt waren. Er werden nog geen huizen gebouwd van steen en de stookplaats bevond zich in het midden van de ruimte. De stookplaats was een eenvoudig gat in de grond en diende voor verwarming en kookdoeleinden. De rook verdween door deuropeningen, ramen en dakopeningen. In vele ontwikkelingslanden wordt er heden ten dagen nog steeds op deze manier voedsel bereid.

Calculatie software

Door opgravingen van Romeinse stellingen en gebouwen is komen vast te staan dat de Romeinen al een soort van centrale verwarming toepasten. Deze zogenaamde "hypocausten verwarming" werd uitgevonden omstreeks de 2de eeuw v.Chr. door Gaius Sergius Orata die zijn visvijvers ermee verwarmde.

Het hypocaustum of hypokaustsysteem bestaat uit een verhoogde vloer die van beneden wordt verwarmd door middel van een meestal buiten het gebouw gelegen stookruimte. De vloer rust op kleine bakstenen pijlertjes van ongeveer 60 cm hoog. Daardoor konden de hete rookgassen zich onder de vloer verspreiden en hier vandaan door de rookkanalen worden afgevoerd. Ook zijn de muren van holle bakstenen gebouwd zodat de warmte zich ook daardoor kan verspreiden. Het systeem werd omstreeks 100 v.Chr. toegepast in de openbare badgebouwen("thermen") en kwam ten tijde van Vitruvius ook voor in private woningen.

Een tweede type hypocaustum ontwikkelde zich. Hierbij werd gebruik gemaakt van kolen die verbrand werden en de warmte werd door kanalen verplaatst. Op deze wijze werden de bovenliggende kamers eveneens verwarmd.

Romeinse hypocaustvloeren zijn ook in Nederland en België bewaard gebleven, zowel in openbare badgebouwen als in grotere stadswoningen en villae rusticae Dit is de landelijke variant van een Romeinse villa. Bij een villa rustica hoorden ook landerijen, die bewerkt werden door slaven of pachters. Er waren appartementen voor de villicus (de toezichthouder, meestal een slaaf of vrijgelatene, die boven de andere slaven stond) en de actor (de boekhouder) en ook slaapvertrekken voor de slaven en dieren.. Bekend zijn de Thermen van Heerlen, die van Maastricht en die van Aarlen.

In de 12de eeuw kwamen de open haarden in gebruik, welke in de meeste kastelen als verwaming werden gerbuikt.

In 1777 ontwikkelde Bonnemain een warmwatersysteem ten behoeve van een broedmachine, alsmede voor de kassen van de Jardin des Plantes te Parijs. In 1838 werd het eerste pand in Nederland, en wel het woonhuis van Adriaan van der Hoop aan de Keizersgracht te Amsterdam, met een warmwatersysteem uitgerust. Hij had op zijn landgoed Spaarnberg hiermee al ervaring opgedaan bij kasverwarming.

Tussen 1870 en 1890 werden de eerste gietijzeren ketels en radiatoren uit Amerika ingevoerd en in 1895 kwam de eerste ledenketel in de handel.

In 1878 kwam het gebruik van plat glas opzetten, voor het maken van het platte glas werd in die tijd gebruik gemaakt van afgedankte ramen van herenhuizen. In deze kweekbakken met plat glas werden alle soorten groente geteeld. Van bloemkool tot komkommers. De teelt van fruit was niet goed mogelijk, dat met de rede vanwege de hoogte van het platte glas. Als uitzondering was de teelt van meloen wel mogelijk.

Bij de teelten onder het platte glas kwam ook de eerste vorm van verwarming opzetten. Het gebruik van een aantal soorten mest zorgde ervoor dat de planten in een warm klimaat groeide vooral als het buiten koud was. Door het gebruik van mest kon men het teeltseizoen verlengen.

Rond 1900 kwam de kolenstook opzetten in de druivenkassen. Rond 1905 werd het platte glas ontwikkeld tot de warenhuizen. In deze warenhuizen werd meteen het gebruik van kolenketels toegepast. De kolenketels zorgde ervoor dat het warenhuis en de druivenkas een beter klimaat kregen om gewassen te kunnen verbouwen, met als doel om meer productie te kunnen behalen.

Rond 1926 kwamen de Venlo kassen en breedkap kassen opzetten. Voor het verwarmen van deze kassen werden er steeds grotere en meerder aantallen kolenketels gebruikt, het nadeel van het gebruik van kolenketels was de arbeid die nodig was voor het vullen van de ketels met steenkool. De kolenketels moesten dag en nacht bijgevuld worden.

Toen in 1940 de Tweede Wereldoorlog uitbrak, was de glastuinbouw nog steeds met al zijn activiteiten bezig. Pas toen de bonnen werden ingevoerd werd het voor de glastuinbouw zeer moeilijk. De tuinders konden niet meer aan de kolen komen vanwege de schaarste daarvan. Het laatste jaar van de oorlog zorgde ervoor dat de verwarmde glastuinbouw totaal stil kwam te liggen. En was er alleen nog een zomerteelt mogelijk.

Calculatie software

Na de WOII kwam het gebruik van olie opzetten. De glastuinbouw schakelde over naar olieketels. Door de olieketels was er minder arbeid nodig om te stoken. De olie kon gemakkelijk door leidingen naar de ketels worden getransporteerd. Door het gebruik van de olieketels ging het stoken van een kas automatisch omdat er geen mensen aan de pas hoefden te komen om de ketels te vullen. In het gebruik van olie zijn er twee soorten te onderscheiden. Dunne olie en dikke olie konden er worden gebruikt voor de olie ketels, een groot deel van de glastuinbouw gebruikt ruwe stookolie (dikke olie). Dunne olie kwam pas een paar jaar later opzetten. Rond 1960 werden de ploffers ontwikkelt en toegepast. De ploffers werden gestookt op petroleum, de naam van de ploffer komt van het ploffen van de petroleum, bij dit proces van verwarmen komt er een hoop warmte vrij. Het gebruik van ploffers kon de tuinder zelf bepalen waar in de kas hij wilde gaan verwarmen omdat de ploffers verplaatsbaar waren.

In Nederland werd al snel gebruik gemaakt van gasgestookte ketels. Dit en het gebruik van electriciteit (geintroduceerd rond 1960 in de glastuinbouw voor het gelijkmatig verspreiden van de warmte middels ventilatoren) zorgden voor een nieuw technisch tijdperk in de glastuinbouw.